Een tafel met tapas vraagt niet om één veilige wijn die overal nét bij past. Hij vraagt om contrast, om frisheid naast zout, om een rode wijn met voldoende souplesse voor een schaaltje pimientos de padrón. Deze vijf Spaanse wijnen voor tapas brengen het glas dichter bij de Spaanse eetcultuur: ontspannen, gul en vol regionale eigenheid.
Tapas zijn bovendien geen vast gerecht, maar een manier van eten. Er kunnen ansjovis, manchego, gegrilde groenten, ibericoham en stoofpotjes tegelijk op tafel staan. Daarom werkt een tapasavond het best als u niet uitsluitend kijkt naar de kleur van de wijn, maar naar zout, vet, kruidigheid en bereiding. Met vijf stijlen uit verschillende Spaanse wijnstreken bouwt u een tafel die mee beweegt met wat er op de plank verschijnt.
Vijf Spaanse wijnen voor tapas, van zee tot binnenland
1. Albariño uit Rías Baixas bij vis, schelpdieren en ziltigheid
Aan de groene Atlantische kust van Galicië groeit Albariño in een koeler en vochtiger klimaat dan veel mensen met Spanje associëren. De wijn is levendig, vaak geurig naar citrus, witte perzik en bloesem, met een kenmerkende zilte spanning. Juist die frisheid maakt hem een vanzelfsprekende keuze bij tapas uit zee.
Schenk Albariño bij gambas al ajillo, calamares, pulpo a la gallega of kleine toastjes met ansjovis. Knoflook en olijfolie kunnen een wijn snel zwaar laten lijken, maar de natuurlijke zuren van Albariño houden het geheel wakker. Ook bij gefrituurde vis werkt hij uitstekend: de wijn snijdt door het vet zonder de zachte smaak van de vis weg te drukken.
Let wel op de stijl. Een heel lichtvoetige Albariño is prachtig als het menu vooral uit koude, zilte hapjes bestaat. Heeft u juist gebakken gamba's met veel knoflook en peper, dan mag de wijn wat meer rijpheid en textuur hebben. Goede producenten laten zien dat Albariño niet alleen fris is, maar ook diepte kan hebben.
2. Manzanilla of Fino bij jamón, olijven en amandelen
Er zijn weinig combinaties die zo overtuigend Spaans voelen als droge sherry met jamón ibérico. Manzanilla, afkomstig uit het kustplaatsje Sanlúcar de Barrameda, is rank, droog en verfijnd zilt. Fino komt uit het bredere sherrygebied rond Jerez en kan iets voller en amandelachtiger overkomen. Beide worden beschermd door een laag flor - een natuurlijke gistlaag die de wijn zijn uitgesproken, hartige karakter geeft.
Zet een gekoelde Manzanilla of Fino op tafel bij groene olijven, gezouten amandelen, jamón serrano, manchego en tortilla de patatas. Dit zijn geen wijnen voor wie een uitgesproken fruitige smaak verwacht. Hun kracht zit in het droge, hartige spel dat zoutige hapjes nog meer reliëf geeft.
Serveer ze niet te warm, maar ook niet ijskoud: rond 8 tot 10 graden blijft de geur het mooist overeind. En schenk liever kleine glazen bij, zoals in een Spaanse bar. Een geopende fles verliest sneller haar finesse dan een gewone stille wijn. Dat is geen bezwaar op een tapasavond, want deze stijl nodigt vanzelf uit tot nog een ronde amandelen en een goed gesprek.
3. Godello uit Valdeorras of Bierzo bij tortilla en gegrilde groenten
Wie denkt dat Spaanse witte wijn altijd licht en eenvoudig moet zijn, heeft waarschijnlijk nog geen serieuze Godello geproefd. Deze druif uit Noordwest-Spanje kan frisheid combineren met een bijna romige structuur, vaak met aroma's van rijpe appel, citrus, venkel en natte steen. In Valdeorras en Bierzo geven oude stokken en hoogte de druif extra gelaagdheid.
Godello is een bijzonder bruikbare brugwijn voor een gemengde tapastafel. Hij past bij tortilla de patatas, geroosterde bloemkool met romesco, gegrilde courgette, geroosterde paprika en mildere kazen. Waar Albariño vooral schittert naast de zee, voelt Godello zich thuis bij gerechten met een geroosterde, aardse toon.
Ook hier bepaalt de bereiding veel. Een jonge Godello zonder houtrijping houdt het licht en energiek. Een wijn die op de lies heeft gerijpt, of subtiel hout heeft gezien, heeft meer body en kan zelfs een gerecht met bacalao, kikkererwten of romige aioli aan. Kies bij een tafel met veel frisse, zure accenten de levendigere stijl; bij warme tapas uit de oven is een rijkere Godello vaak de betere gast.
4. Mencía uit Bierzo bij paddenstoelen, chorizo en tonijn
Voor rode wijn bij tapas is Mencía een van de meest dankbare druiven van Spanje. In Bierzo, tussen berghellingen en oude wijngaarden, levert zij rode wijnen met sappig rood fruit, viooltjes, fijne kruidigheid en meestal een bescheiden tanninestructuur. Dat laatste is belangrijk: harde, zware tannines botsen al snel met zout, azijn en pikante smaken op tafel.
Schenk Mencía licht gekoeld, rond 14 tot 16 graden, bij paddenstoelen met knoflook en peterselie, chorizo a la sidra, gehaktballetjes in tomatensaus of tonijn die kort is gegrild. De wijn heeft genoeg frisheid voor tomaat en voldoende kruidigheid voor paprikapoeder, zonder dat hij alle andere smaken overstemt.
Mencía laat ook mooi zien waarom herkomst ertoe doet. Een jonge, fruitgedreven versie is heerlijk ongecompliceerd en direct. Een wijn van oude stokken of uit een hoger gelegen wijngaard kan juist verfijnd, mineraal en bijna bloemig zijn. Bij een eenvoudige tapasplank mag de wijn speels zijn. Bij een avond waarop u langzaam meerdere warme gerechtjes serveert, loont het om te kiezen voor meer diepgang.
5. Garnacha uit Aragón bij albóndigas en geroosterd vlees
Garnacha is de warme, uitnodigende rode draad aan een tafel met robuustere tapas. In Aragón, bijvoorbeeld rond Calatayud of Cariñena, staat de druif vaak aangeplant op hooggelegen, schrale bodems. Dat levert wijnen op met rijp rood fruit, mediterrane kruiden en een zachte, ronde textuur. De zon is voelbaar, maar goede hoogte en verzorgde vinificatie bewaren de noodzakelijke frisheid.
Dit is de wijn voor albóndigas, lamskoteletjes, geroosterde worstjes, patatas bravas met een volle saus en gerijpte schapenkaas. Garnacha omarmt de zoetheid van geroosterde paprika en tomaat, en heeft doorgaans niet de strenge tannines die een pittige saus nog scherper maken.
Toch is niet elke Garnacha hetzelfde. Sommige flessen zijn gul, sappig en direct geschikt voor een informele borrel. Andere zijn krachtiger, warmer en duidelijker door hout beïnvloed. Die laatste stijl kan prachtig zijn bij lamsvlees of langzaam gegaarde gerechten, maar is minder geschikt naast verfijnde vis of een plank met vooral zoute, koude hapjes. Serveer ook Garnacha liever iets koeler dan kamertemperatuur, ongeveer 15 tot 17 graden. Dan blijft het fruit helder en blijft de wijn uitnodigen tot een volgende hap.
Bouw de tafel op, niet alleen de wijnkaart
Wie alle vijf de stijlen serveert, hoeft niet met vijf flessen tegelijk te beginnen. Open eerst Albariño of Godello bij koude vis, groenten en de eerste snacks. Laat Manzanilla of Fino vervolgens kort en gekoeld verschijnen bij ham, olijven en noten. Daarna kunnen Mencía en Garnacha de warmere, kruidiger gerechten begeleiden.
Kijk ook naar de dominante smaken. Veel azijn, ingelegde groenten en scherpe citroen vragen om frisse witte wijn of sherry. Veel gerookte paprika, tomaat en geroosterd vlees vragen om een sappige rode wijn. Bij romesco, aioli en manchego biedt Godello vaak de meest comfortabele middenweg.
Bij Camino del Vino begint zo'n keuze nooit alleen bij druif of regio, maar bij de handen die de wijn maken. Een familiebodega die zorgvuldig werkt met oude stokken, hoogte of lokale bodems geeft ook een bekende druif een eigen stem. Dat maakt het verschil tussen een wijn die slechts bij tapas past en een wijn die het verhaal van de tafel mee vertelt.
Maak het vooral niet te ingewikkeld. Kies twee flessen voor een kleine avond, of zet een witte, een sherryachtige stijl en een rode wijn naast elkaar voor een groter gezelschap. Zodra brood wordt gebroken, schaaltjes worden doorgegeven en het glas precies genoeg spanning geeft aan de volgende hap, proeft u waar Spaanse wijn om draait: gedeelde tijd, met een duidelijke herkomst in elk glas.